Opheffers – Wim van den Doel
Zie niet om, want het kost je ’n illusie
Na de Tweede Wereldoorlog probeerde Nederland minder ontwikkelde landen te helpen een betere toekomst te verwezenlijken. Dit streven stond lange tijd in de Nederlandse samenleving niet ter discussie. Pas in de jaren negentig werden van meerdere kanten vraagtekens gezet bij het nut van ontwikkelingssamenwerking, ook in Nederland. Tegen die tijd was duidelijk geworden dat sommige ontwikkelingslanden, vooral in Azië, een krachtige economische groei doormaakten, terwijl andere landen, vooral in Afrika, er economisch alleen maar op achteruitgingen. Het leek allemaal weinig te maken te hebben met de omvang van de verleende ontwikkelingshulp.
Ontwikkelingssamenwerking wordt door velen gezien als een correctie op de koloniale tijd, met andere woorden als een middel om een eind te maken aan ongelijkheid, onrecht en discriminatie die werden toegeschreven aan koloniale onderdrukking. Deels komt het westerse ontwikkelingswerk juist voort uit die koloniale tijd. Belangrijk is de traditie van het uit humanitaire motieven helpen van slachtoffers van oorlog of honger, nabij en ver weg. In de recente internationale literatuur over de geschiedenis van de ontwikkelingssamenwerking wordt Nederland nauwelijks genoemd. De Nederlandse ontwikkelingssamenwerking wordt blijkbaar pas interessant in de jaren zestig als het Nederlandse bedrijfsleven er zich voor interesseert en het een onderdeel wordt van de geschiedenis van Nederland als land met een “morele voortrekkersrol” in de wereld.
De periode tussen 1945 en 1965
De periode tussen 1945 en 1965 wordt slechts gezien als “de schemerzone tussen koloniaal beleid en het formuleren van nieuw ontwikkelingsbeleid”. Op deze periode richt de auteur zich. Hij vraagt zich af waar de betrokkenheid met de ontwikkeling van de wereld in die periode vandaan kwam en waarom zij steun kreeg van de Nederlandse bevolking. Wie waren de drijvende krachten? Aan de hand van met name de geschiedenis van ontwikkelingshulp aan Nieuw-Guinea en Suriname tracht de auteur antwoord op deze vragen te krijgen. Hij besteedt hierbij bijzondere aandacht aan acht personen die een belangrijke rol hebben gespeeld in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking in de genoemde periode. Vele plannen werden gemaakt. Het einddoel – een door recht, orde en economische zekerheid gelukkig volk te creëren – zou haalbaar moeten zijn. De geholpen mensen zouden behoorlijk moeten worden gevoed, gehuisvest, gekleed, zonder noemenswaardig analfabetisme, met voldoende zekerheid en behoorlijke vooruitzichten voor de toekomst. De ontvangers van de hulp bekeken dit niet zonder argwaan. Niet geheel ten onrechte, want ook andere belangen speelden een rol, zoals bekendheid verwerven in het buitenland voor het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse wetenschap. Ook kon de ontwikkelingssamenwerking zorgen voor nieuwe mogelijkheden voor de Nederlandse export en voor werk voor de studenten aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen. Dit laatste was van belang sinds de onafhankelijkheid van Indonesië, waardoor er minder werk was voor de Nederlandse ontwikkelingswerkers. Daarnaast werd de kloof tussen rijke en arme landen beschouwd als een van de grootste bedreigingen voor de wereldvrede. Het zou het communisme kunnen stimuleren en daarmee de invloed van Rusland vergroten.
Normen en waarden
Ontwikkelingssamenwerking werd niet slechts gegeven om armoede te verbannen. Het ging vaak samen met “missie en zending”. Zo werden koppensnellen, oorlog voeren, vrouwenroof en feesten met een erotische inslag verboden. Bij het verbieden van deze gedragingen werden geen alternatieven aangedragen hetgeen onder andere leidde tot het drinken van palmwijn en sterke drank met alle gevolgen van dien. Met de wensen van de betrokkenen werd geen rekening gehouden. Plannen en mooie woorden genoeg. Resultaten bleven helaas vaak uit. Ook weer omdat niet met de betrokkenen werd overlegd over de vraag wat er zou moeten gebeuren. De hulp werd van bovenaf opgelegd. De verantwoordelijken voor de ontwikkelingssamenwerking waarschuwden hier wel voor, maar toch kon dit niet een zekere afhankelijkheid van de rijke landen voorkomen.
Conclusie
De auteur heeft een uiterst informatief boek geschreven over een periode in de ontwikkelingssamenwerking die niet zo bekend is. Vanaf de tijd dat er meer kritiek kwam op de ontwikkelingshulp is er ook meer over bekend geworden. De auteur heeft vele bronnen geraadpleegd en deze op een duidelijke manier in zijn boek verwerkt. De voorbeelden van ontwikkelingssamenwerking die beschreven zijn, maken het geheel meer sprekend. Dit geldt ook voor de gebruikte foto’s.
Jitske Bijker