Het tragische lot van gewone mensen

Alles voor niets – Walter Kempowski – Vertaling: Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen – Thomas Rap – 381 blz.

Ik denk dat Walter Kempowski (1929-2007), één van de grote naoorlogse Duitse schrijvers, bij het Nederlandse lezerspubliek tamelijk onbekend is. Kempowski is onder meer de auteur van de “Deutsche Chronik”, een serie van zes romans en drie non-fictiewerken over Duitsland in de twintigste eeuw (helaas niet vertaald in het Nederlands). Omstreeks 1980 las ik vroeger werk van hem, de romans Wij hebben het niet geweten en Met ons is alles goed. In beide romans gaf de auteur een gedetailleerd beeld van het reilen en zeilen van een familie gedurende de Tweede Wereldoorlog. Ik kan me nog herinneren dat zijn schrijfstijl me destijds al erg aansprak. De auteur, geboren in Rostock, werd op negentienjarige leeftijd wegens spionage veroordeeld tot 25 jaar dwangarbeid in de toenmalige DDR. Na acht jaar kwam hij vrij en vluchtte naar West-Duitsland, waar hij werkte als leraar. In 2006 verscheen zijn laatste boek Alles umsonst, in 2020 vertaald in het Nederlands en uitgegeven door Thomas Rap, die eerder al Zwanenzang 1945 van hem had uitgegeven. Het zou mooi zijn als Rap het ook zou aandurven de hiervoor genoemde Chronik in een Nederlandse vertaling uit te geven!

Alles voor niets speelt zich af in januari 1945 op het wat vervallen landgoed Georgenhof van de familie von Globig in Oost-Pruisen, nabij het stadje Mitkau. De spanning in de streek is voelbaar, want de Russen rukken steeds verder op: hun artillerie zorgt voor een constant dreigend gerommel in de verte. Maar op het landgoed gaat het gewone dagelijkse leven zijn gangetje, men maakt zich niet al te druk. De oude landadel koestert nog steeds zijn bevoorrechte positie: “Ach, het zal zo’n vaart toch wel niet lopen?“.

De beeldschone Katharina von Globig, dromerig, wereldvreemd, geïsoleerd, haar twaalfjarige zoontje Peter, intelligent, zelfstandig, leergierig (een jonger zusje is overleden, haar kamer is sindsdien onaangeroerd gebleven). Daarnaast het “tantetje”, een ver familielid uit Silezië, een praktische, oplettende, strenge vrouw die er, met een Poolse knecht en twee Oekraïense dienstmeisjes, voor zorgt dat de zaken blijven draaien: de dieren verzorgd, het eten gekookt, het huis schoongehouden. Tantetje maakt zich wel wat zorgen, want zij is wél op de hoogte van de misdadig slechte behandeling van de dwangarbeiders in de omgeving en de Duitse terreur in het Oosten.

Vader Eberhard von Globig is als SS officier gelegerd in Italië, van waaruit hij de familie voorziet van geld, wijnen en rookwaren. De familie komt zodoende niets tekort. Door deze omstandigheden en vooral ook de mooie Katharina, komt er geregeld bezoek van allerlei rondzwervend volk dat nieuwtjes vertelt, als het kan graag een warme maaltijd gebruikt en het fraaie interieur bewondert. Er zijn ook een paar regelmatige bezoekers: Dr. Wagner de leraar van de gesloten kloosterschool, verstokt vrijgezel en heimelijk homoseksueel, komt trouw elke week langs om Peter les te geven. Drygalski, een overtuigde nazi, de baas in de nieuwe woonwijk tegenover Georgenhof, die twijfelt aan de loyaliteit van Katharina en die het daarom een doorn in het oog is dat Peter zich niet vertoont bij de Hitlerjeugd:

“Ze lieten die jongen daar veel te veel vrijheid, een echte blonde Duitse jongen, dat wel, maar als het Hitlerdienst was verscheen hij niet en zijn moeder zo’n wereldvreemd vrouwmens, die moest dringend eens geroskamd worden, maar ze liet zich nooit zien. Te weinig gelegenheden om haar eens zijn mening te geven. Als hij dacht hoe hij zijn zoon had aangepakt!

Een harde opvoeding, zo hard dat zijn vrouw soms zei: “Moet dat nou? De zoon die piepend de trap op rende en boven in zijn kamer ging zitten snikken?”.

Dag na dag trekken er vluchtelingen naar het westen langs Georgenhof, de bewoners zien het gebeuren. De onrust neemt toe: weggaan, maar waar heen?  Of nog maar even blijven, de ontwikkelingen afwachten? Dan krijgt Katharina het verzoek van de dominee een nacht onderdak te verlenen aan een, naar later blijkt, Joodse onderduiker. Hoewel ze bang is en twijfelt of ze het moet doen, biedt ze hem onderdak. Als de man even later wordt opgepakt, en gedwongen wordt zijn verblijfplaats te verraden, arresteert men Katharina en zet haar in de cel:

“De beambte zei dat het heel ernstig was, en hij wilde graag weten of hij in haar kamer avances had gemaakt. Had ze geweten dat het een Jood was? En toen hield hij een lange toespraak over het volk Israël, en hij noemde die mensen smerige vleesvliegen en misdadig gespuis. Er viel ook niets te ontkennen, uitvluchten waren er niet. Ze zei dat ze geen idee had gehad, dat hij een Jood was, had ze niet geweten. Ze had er niet echt bij nagedacht.”

Deze gebeurtenis, en de naderende Russen, doen tantetje besluiten met Peter, de Poolse knecht en één van de Oekraïense dienstmeisjes, te vluchten. Het wordt een barre tocht waarbij de vluchtelingen te maken krijgen met honger, kou, bombardementen en de wreedheid van

de nazi’s die zich tot het bittere einde blijven verzetten. De nuchtere, wat terloopse manier waarop dit alles wordt beschreven, draagt er toe bij dat dit boek indruk maakt op de lezer. Deze stijl lijkt bedrieglijk eenvoudig, maar werkt erg goed: de auteur gebruikt niet te veel grote woorden, hij laat personen en omstandigheden voor zichzelf spreken:

“Langs de weg stond een grote eenzame eik. En aan een uitstekende tak bungelden verschillende mensen, soldaten met openhangende mantel en zonder pet. Waren het de twee soldaten uit het huis? Ze hadden een bordje voor hun buik hangen: “Wij waren te laf om te vechten…” Naast hen hingen een man en een vrouw. De man met de vierhoekige Poolse pet op zijn hoofd, aan zijn vinger een verband. En de vrouw was Vera. “Wij hebben geplunderd” Peter had ooit iemand een kruis zien slaan, dat zou hij nu ook graag hebben gedaan, onder de boom gaan staan en een kruis maken. Maar hij was nu eenmaal niet katholiek. Hij zette zijn muts af, alsof hij zich moest krabben, altijd goed uitkijken, want langs de weg stond een auto van de militaire politie. Heil Hitler. De doden wiegden heen en weer.”

Alles voor niets is een zeer waardige afsluiter van het oeuvre van Kempowski en verdient een groot lezerspubliek.

Dick Huitema.

Boek bestellen!

Andere recensies

De kathedralenbouwers – Georges Duby – Vertaling: Ger Groot – Noordboek – 448 blz. Georges Duby (1919-1996) behoort tot een van de bekendste Franse historici. De middeleeuwen vormden zijn specialiteit. In 1970 werd hij verkozen tot hoogleraar aan het Collège de France, op de...
Lees verder Categorie: Geschiedenis, Kunst & Cultuur, Non-fictie
| Reageer!
Hoe besta je na? – Frénk van der Linden & Pieter Webeling – Luitingh-Sijthoff – 252 blz. Op de achterflaptekst staat dat dit een troostrijk boek is voor iedereen die worstelt met het verlies van een dierbare. Het boek bevat een verzameling interviews uit...
Lees verder Categorie: Mens & Maatschappij, Non-fictie
| Reageer!
Propje – Marit Kok – Condor – 40 blz. Wat een bijzonder prentenboek! Alles in dit boek komt op een heel bijzondere manier tot leven. Propje is eigenlijk een weggegooid papiertje, dat zomaar door het raam op straat terecht kwam. En zoals de meeste...
Lees verder Categorie: Prentenboek
| Reageer!